Interactieve kalibratie starten

Zie voor de werking en beschrijving van de modus hoofdstuk Interactieve kalibratie.

Ga als volgt te werk:

OPMERKING

notice

Afstandsbesturing

Het diagnoseapparaat wordt op afstand bestuurd door de CSC-Tool PRO. Na beëindiging van de diagnose- of kalibratieprocedure van de CSC-Tool PRO sluit het diagnoseapparaat de afstandsbesturing automatisch af.

  1. Diagnoseapparaat aansluiten
  2. Sluit het diagnoseapparaat (bijvoorbeeld mega macs X, mega macs S 20 of mega macs PLUS) aan op het voertuig (zie hoofdstuk Aansluiting van het diagnoseapparaat).
  3. OPMERKING! Alle stappen en veiligheidsrelevante aanwijzingen voor het aansluiten en het hanteren van het diagnoseapparaat zijn te vinden in en dienen te worden opgevolgd volgens de gebruikershandleiding van het betreffende diagnoseapparaat (bijvoorbeeld mega macs X, mega macs S 20 of mega macs PLUS).
  4. Interactieve kalibratie starten
  5. Voertuig selecteren
  6. Voor de voertuigselectie zijn de volgende mogelijkheden beschikbaar:
  7. Nieuwe selectie:
  8. Laatst geselecteerde voertuigen:
  9. Onderstelselectie:
  10. Optioneel: foutcodeopvraag uitvoeren
  11. Opties:
  12. of
  13. Als >Uitvoeren< is geselecteerd:
  14. De foutcodes van het voertuig worden uitgelezen en in het linkerdeel van de Cali-OS weergegeven.
  15. Kalibratietype selecteren
  16. Selecteer het type kalibratie en ga verder met >Volgende<. OPMERKING! De CSC-Tool PRO tuurt het aangesloten diagnoseapparaat. Indien nodig, voer invoer direct in op het diagnoseapparaat.
  17. Vereiste hardware voor de geselecteerde kalibratie controleren
  18. Controleer of de weergegeven hardware voor de geselecteerde kalibratie compleet en operationeel is en bevestig met >Volgende<.
  19. Selecteer de reden voor de kalibratie
  20. Selecteer de juiste reden en bevestig met >Volgende<.
  21. Voorwaarden bevestigen
  22. Controleer de in de Cali-OS weergegeven voorwaarden aan de hand van de checklist.
  23. Bevestig de voltooide punten door de selectievakjes aan te vinken en kies >Volgende<.
  24. Hoogte van de randen van de wielkast meten
  25. De meting kan via de volgende methoden worden uitgevoerd:
  26. Meting met bluetoothlaser-afstandsmeter:
  27. Selecteer >Volgende< na afloop van de meting.
  28. Handmatige meting:
  29. Selecteer na afloop van de meting >Volgende<.
  30. Wielhouders en 3D-targets aanbrengen
  31. Wanneer de 3D-kalibriertafels loodrecht staan, >Volgende< selecteren.
  32. Voertuigpositie ruimtelijk detecteren
  33. Beweeg het voertuig overeenkomstig de instructies van de Cali-OS voor- en achteruit totdat de ruimtelijke positie succesvol is vastgesteld.
  34. Als de 3D-kalibriertafels succesvol zijn geregistreerd, selecteer dan >Volgende<.
  35. Beveiligingsinstructies bevestigen
  36. Bedien de parkeerrem en bevestig met >Bediend<.
  37. CSC-Tool PRO uitrichten
  38. OPMERKING! De monitor moet zich in de standaarduitrichting bevinden. Deze standaarduitrichting is de horizontale uitrichting van de monitor.
  39. Aansluitend:
  40. Kalibratie uitvoeren
  41. Het kalibratiepaneel wordt automatisch op de monitor weergegeven.
  42. Klik op >Volgende< om de kalibratie te starten.
  43. OPMERKING! Kalibratie loopt. Volg de aanwijzingen van het diagnoseapparaat.
  44. Na succesvolle afronding worden de uitkomst weergegeven.
  45. Ga verder met >Volgende<.
  46. Optioneel: voer een tweede foutcodeopvraag uit.
  47. Er kan opnieuw een foutcode-opvraag worden uitgevoerd (>Uitvoeren< of >Overslaan<).
  48. Protocol opslaan
  49. Om het protocol in de Car History op te slaan, VIN en de kilometerstand invoeren en >Opslaan< selecteren.
  50. De stap kan indien nodig worden overgeslagen.
  51. OPMERKING! Hierbij wordt tijdens de volgende stap het protocol weergegeven, maar het wordt niet in de Car History opgeslagen.
  52. Kalibratie voltooien
  53. Selecteer >Afgesloten< om de procedure af te sluiten.
  54. Het kalibratieprotocol wordt weergeven.
  55. Optioneel: